Home  >  Tanganyika aquarium >  Tanganyika cichliden >  Lamprologus

Lamprologus ocellatus

 

 

 

Tekst nog aanpassen

Lamprologus ocellatus (Steindachner, 1909)

Systematiek : F. Steindachner beschreef de soort in 1909 als Julidochromis ocellatus in "Anz. Akad. Wiss. Wien" 46 (24) pp. 402-403. In 1952 beschreef M. Poll een andere slakkehuisbewonende cichlide als Lamprologus ocellatus in "Quatrième série de Cichlidae nouveaux receuillis par la Mission Hydrobiologique Belge au Lac Tanganika (1946-1947)". Bull. Inst. Roy. Sc. natur. Belge 28 (49) pp. 15-17. De type-dieren van deze laatste soort waren merendeels afkomstig van de Kungwe baai.
Wanneer enkele jaren later Julidochromis ocellatus werd overgeplaatst naar het genus Lamprologus, waren er aldus twee soorten met dezelfde naam, wat natuurlijk niet kan. Daarom werd de laatst beschreven soort door M. Poll herbeschreven en genoemd naar de vindplaats Lamprologus kungweensis Poll, 1956. Na de revisie van Colombé & Allgayer (1985), van het geslacht Lamprologus werden beide soorten in het genus Neolamprologus ondergebracht.
M. Poll zet in zijn "Classification des Cichlidae du lac Tanganika. Tribus, genres et espèces." (1985), een aantal Neolamprologus-soorten terug naar het geslacht Lamprologus, onder meer ook Lamprologus ocellatus.

Verspreiding : endemisch in het Tanganyikameer waar de soort een groot areaal heeft. L.ocellatus wordt zowel gevonden aan de westkust (Kalémie), de oostkust (Kigoma en Kipili) als in het zuiden (Zambia). Hij komt niet alleen voor in de oeverzone, maar ook tot op redelijke diepte (30 m). Hij bewoont er de zandige bodems.

Grootte : de mannetjes worden ongeveer 6 cm groot, de wijfjes maximaal een 4-tal cm.

Lichaamsvorm : het lichaam is vrij laag, langgerekt en zijdelings slechts matig samengedrukt. De muil is voorstandig en relatief groot met twee opvallende scherpe tanden in de onderkaak. Het kopprofiel is ter hoogte van de neusgaten concaaf. De ronde buikvinnen en de naar achter toe groter wordende afgeronde rug- en aarsvin zijn kenmerkend voor deze soort.

Kleur en tekening : de grondkleur van het lichaam is beige-bruin. De rugpartij is donkerder bruin, de onderste lichaamshelft draagt een blauw/violette metaalglans. Op de kieuwdeksels is er een donkere vlek (oogvlek=ocellatus) die dikwijls een groene weerschijn heeft. De iris is goudgeel. De vinnen zijn min of meer grijsblauw. De rugvin is soms wit afgezoomd. Wijfjes met broedzorg vertonen een rosgrijze tot blauwzwarte kleur op de achterste lichaamshelft en in de buikvinnen. De buik is dan contrastrijk intensief violet gekleurd.

Geslachtsonderscheid : dit is zeer moeilijk te zien: de wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes en slechts tijdens de broedzorg anders gekleurd.

Kweek : een 20-tal eieren worden door het wijfje zeer diep in de schelp netjes gerangschikt afgezet. Het mannetje laat zijn homvocht los aan de ingang van het slakkehuis en het wijfje zorgt met waaierbewegingen van haar borstvinnen dat het sperma de eieren bereikt en bevrucht. In de natuur gebruiken ze lege slakkehuizen van het geslacht Neothauma. In het aquarium kunnen we ze lege wijngaardslakkehuizen ter beschikking stellen. Het wijfje "staat" meestal in de opening en waaiert met haar borstvinnen gedurig vers, zuurstofrijk water naar binnen. Het mannetje verdedigt de omgeving tegen mogelijke vijanden. Bij een temperatuur van 27° C verlaten de jongen na ongeveer 14 dagen het slakkehuis. Bij mogelijk gevaar en om te slapen trekken ze zich nog regelmatig hierin terug. Het eerste voedsel vinden ze op de bodem, na enkele dagen kunnen we ze bijvoederen met Artemia salina-naupliën en later met Cyclops en uitgezeefde Daphnia.

Water : het water moet vooral goed gefilterd en zeer zuurstofrijk zijn. Te lage pH waarden (minder dan 7) en te lage totaalhardheid (minder dan 12 DH) worden slecht verdragen. De temperatuur kan best schommelen tussen 25° en 28° C.

Voeding : in de natuur blijkt hun voornaamste voedsel kleine garnalen en slakken te zijn. In het aquarium kunnen we hen dan ook het best voeren met Cyclops, Daphnia, Mysis e.a. kleine kreeftachtigen.

Gedragingen : ondanks zijn kleine gestalte verdedigt L. ocellatus zeer moedig zijn territorium en deinst er niet voor terug de hand van zijn verzorger aan te vallen en tot bloedens toe te bijten.

Aquariuminrichting : een klein aquarium (80 l) kan reeds volstaan om enkele paren in te houden. Beter is wel een groter aquarium (+ 200 l) te bevolken met bv. L. ocellatus, Neolamprologus leleupi, Telmatochromis brichardi en Julidochromis-soorten. Wij voorzien dan de bodem met een zandlaag van minstens 5 cm en een achterwand van steile vertikale steenformaties. Als beplanting nemen we bij voorkeur Vallisneria en Ceratophyllum-soorten. Voor elk L. ocellatus-dier voorzien we tenminste één leeg slakkehuis.

Ludo Segal