|
| ||
|
Lamprologus ocellatus
Tekst nog aanpassen Lamprologus ocellatus (Steindachner, 1909) Systematiek : F. Steindachner beschreef de soort in 1909 als Julidochromis ocellatus in "Anz. Akad. Wiss. Wien" 46 (24) pp. 402- Verspreiding : endemisch in het Tanganyikameer waar de soort een groot areaal heeft. L.ocellatus wordt zowel gevonden aan de westkust (Kalémie), de oostkust (Kigoma en Kipili) als in het zuiden (Zambia). Hij komt niet alleen voor in de oeverzone, maar ook tot op redelijke diepte ( Grootte : de mannetjes worden ongeveer Lichaamsvorm : het lichaam is vrij laag, langgerekt en zijdelings slechts matig samengedrukt. De muil is voorstandig en relatief groot met twee opvallende scherpe tanden in de onderkaak. Het kopprofiel is ter hoogte van de neusgaten concaaf. De ronde buikvinnen en de naar achter toe groter wordende afgeronde rug- en aarsvin zijn kenmerkend voor deze soort. Kleur en tekening : de grondkleur van het lichaam is beige-bruin. De rugpartij is donkerder bruin, de onderste lichaamshelft draagt een blauw/violette metaalglans. Op de kieuwdeksels is er een donkere vlek (oogvlek=ocellatus) die dikwijls een groene weerschijn heeft. De iris is goudgeel. De vinnen zijn min of meer grijsblauw. De rugvin is soms wit afgezoomd. Wijfjes met broedzorg vertonen een rosgrijze tot blauwzwarte kleur op de achterste lichaamshelft en in de buikvinnen. De buik is dan contrastrijk intensief violet gekleurd. Geslachtsonderscheid : dit is zeer moeilijk te zien: de wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes en slechts tijdens de broedzorg anders gekleurd. Kweek : een 20-tal eieren worden door het wijfje zeer diep in de schelp netjes gerangschikt afgezet. Het mannetje laat zijn homvocht los aan de ingang van het slakkehuis en het wijfje zorgt met waaierbewegingen van haar borstvinnen dat het sperma de eieren bereikt en bevrucht. In de natuur gebruiken ze lege slakkehuizen van het geslacht Neothauma. In het aquarium kunnen we ze lege wijngaardslakkehuizen ter beschikking stellen. Het wijfje "staat" meestal in de opening en waaiert met haar borstvinnen gedurig vers, zuurstofrijk water naar binnen. Het mannetje verdedigt de omgeving tegen mogelijke vijanden. Bij een temperatuur van 27° C verlaten de jongen na ongeveer 14 dagen het slakkehuis. Bij mogelijk gevaar en om te slapen trekken ze zich nog regelmatig hierin terug. Het eerste voedsel vinden ze op de bodem, na enkele dagen kunnen we ze bijvoederen met Artemia salina-naupliën en later met Cyclops en uitgezeefde Daphnia. Water : het water moet vooral goed gefilterd en zeer zuurstofrijk zijn. Te lage pH waarden (minder dan 7) en te lage totaalhardheid (minder dan 12 DH) worden slecht verdragen. De temperatuur kan best schommelen tussen 25° en 28° C. Voeding : in de natuur blijkt hun voornaamste voedsel kleine garnalen en slakken te zijn. In het aquarium kunnen we hen dan ook het best voeren met Cyclops, Daphnia, Mysis e.a. kleine kreeftachtigen. Gedragingen : ondanks zijn kleine gestalte verdedigt L. ocellatus zeer moedig zijn territorium en deinst er niet voor terug de hand van zijn verzorger aan te vallen en tot bloedens toe te bijten. Aquariuminrichting : een klein aquarium ( Ludo Segal
|