Home  >  Tanganyika aquarium >  Tanganyika cichliden >  Cyprichromis

Cyprichromis leptosoma 

 

 

Cyprichromis leptosoma (Boulenger, 1898)

Systematiek : de soort werd in 1898 door G.A. Boulenger beschreven als Paratilapia leptosoma in "Report on the collection of fishes made by Mr. J.E.S. Moore in Lake Tanganyika during his expedition 1895-96", Trans. Zool. Soc. London, Vol. XV, Part 1, N° 1, pp. 14-15, pl. III, fig. 4.
In 1920 beschreef C.T. Regan het genus Limnochromis en plaatste daarin o.a. L. leptosoma, "The classification of the fishes of the family Cichlidae. I. The Tanganyika genera", Ann. Mag. nat. Hist. ser. 9, V, pp. 33-53.In 1977 zonderde Scheuermann drie soorten af uit het genus Limnochromis en beschreef voor deze het geslacht Cyprichromis met de soorten C. leptosoma, C. nigripinnis en C. microlepidotus, "A partial revision of the genus Limnochromis Regan, 1920", Cichlidae (B.C.A.)
3 (2) december 1977, pp. 69-73. nmiddels voegde Poll in 1981 de soort Cyprichromis brieni toe aan het geslacht, hetwelke hij in 1986 opgesplitste in twee genera: Cyprichromis voor de soorten C. leptosoma en C. microlepidotus en Paracyprichromis voor de soorten P. nigripinnis en P. brieni.

Verspreiding : endemische soort uit het Tanganyikameer, waar de soort in het westelijk en zuidelijk deel van het meer wordt aangetroffen, tenminste in zeven verschillende geografische kleurvarianten. De soort bewoont het open water, in de buurt van metershoge rotsblokken, waartussen zich vertikale spleten bevinden. Op dergelijke plaatsen kan men, op een diepte van 5 tot 15 m, populaties van meerdere duizenden exemplaren aantreffen, die honkvast over lange tijd in hetzelfde gebied terug te vinden zijn.

Grootte : mannetjes kunnen tot ruim 10 cm uitgroeien, terwijl de wijfjes wat kleiner blijven.

Lichaamsvorm : langgerekt en slank lichaam en een spitse kop.

Kleur en tekening : wijfjes zijn grauwbruin gekleurd en moeilijk van Paracyprichromis brieni te onderscheiden. Bij enkele populaties zijn de mannetjes polymorf, waarbij een aantal een gele staartvin vertonen en andere een blauwviolette staartvin.

Geslachtsonderscheid : de geslachten zijn duidelijk te onderscheiden aan de kleuren der onpare vinnen, die bij de wijfjes bruinachtig zijn. De mannetjes hebben, alnaargelang de variëteit en individuele verschillen een gele of blauwe staartvin.

Kweek : in tegenstelling tot de meeste muilbroedende soorten, die de eieren boven een substraat afzetten, legt het wijfje van C. leptosoma de eieren in het open water. Ze staat hierbij op de kop en vangt het omlaag dwarrelende ei op wanneer het de muil passeert. Het aantal eieren is per legsel niet groot; 10 tot 15 is een behoorlijk aantal. Na een viertal weken zijn de jongen volledig ontwikkeld en doorheen de transparante keelzak van het wijfje te merken. Ze zijn ongeveer 15 mm lang als ze worden vrijgelaten en worden door het wijfje niet meer terug in de muil genomen. Ze blijven de eerste tijd in groep in de bovenste waterlagen (best drijfplanten voorzien).

Water : best de natuurlijke omstandigheden benaderend: pH rond 8,5, totale hardheid ongeveer 10 DH en een carbonaathardheid rond 18 KH, geleidbaarheid rond 600 µS bij een temperatuur van 25° tot 27° C. en liefst zeer zuurstofrijk water.

Voeding : in de natuur voedt C. leptosoma zich hoofdzakelijk met zooplankton dat ze met hun uitstulpbare, trechtervormige bek naar binnen halen. In het aquarium nemen ze bij voorkeur Cyclops, Daphnia e.a. kleine kreeftachtigen, alsook droogvoer.

Gedragingen : vermits deze dieren in scholen leven is het aan te raden ze met een aantal in het aquarium tesamen te houden. Het zijn vreedzame dieren, ook al pronkt het mannetje dikwijls met opengespreide vinnen naar de aanwezige wijfjes.

Aquariuminrichting : de wanden van het aquarium worden best met opstaande flagstones gedecoreerd, waarlangs de dieren zich graag terugtrekken. De bovenste waterlaag, waar Cyprichromis-soorten zich meestal ophouden, moet liefst veel zwemruimte bieden. Planten kunnen, alhoewel ze in het natuurlijk biotoop ontbreken, gerust aangebracht worden en als bijkomende schuilplaatsen dienst doen.