Home  >  Tanganyika aquarium >  Tanganyika cichliden >  Altolamprologus

Altolamprologus sp. "Compressiceps Shell

 

 

Grootte : Volwassen mannen worden over het algemeen niet groter dan 5 tot 7cm. De vrouwen blijven zichtbaar kleiner, rond de 3 a 4 cm

Lichaamsvorm : wat de vorm betreft lijkt de soort op Altolamprologus calvus, doch A. fasciatus is gestrekter. Zijdelings is het lichaam sterk afgeplat, zodat de dieren in zeer smalle rotsspleten kunnen binnendringen. De staartsteel is zeer smal en de staartvin is bijna rond wanneer ze uitgespreid wordt. De soort heeft tevens een diepgespleten muil, die zoals bij de Altolamprologus-soorten kan uitgestulpt worden.

Kleur en tekening : Afhankelijk van de vindplaats kleurt het mannetje donker(grijs), en het vrouwtje wit met een streeppatroon. Beide geslachten hebben gele borstvinnen en een gele staartvin en bij sommige exemplaren wordt een gele verkleuring boven de ogen waargenomen.

Geslachtsonderscheid : Het geslachtsonderscheid is vergelijkbaar met A. calvus en A. compressiceps qua bouw. Het mannetje is gemiddeld 3 cm groter van stuk, hoger gebouwd en heeft een langere rug- en aarsvin. Afhankelijk van de vindplaats kleurt het mannetje donker(grijs), en het vrouwtje wit met een streeppatroon. Beide geslachten hebben gele borstvinnen en een gele staartvin en bij sommige exemplaren wordt een gele verkleuring boven de ogen waargenomen.

Kweek : omwille van de onderlinge agressiviteit is het niet eenvoudig deze soort in het aquarium tot voortplanting te brengen. In de natuur zoeken de wijfjes spleten tussen de rotsen of schelpen op voor het afzetten van hun legsel. De mannetjes zijn meestal te groot voor deze holen en moeten hun sperma aan de ingang van het broedhol achterlaten. De verdere zorg voor het legsel wordt aan het wijfje overgelaten. In het aquarium wil de kweek wel eens gelukken en wordt bij voorkeur afgezet in “zeeslakken”, dit omdat deze een bredere opening hebben en vaak wat groter zijn.

Water : bij voorkeur met een pH rond 8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en een zo hoog mogelijke zuurstofconcentratie en zo weinig mogelijk nitraten.

Voeding : in de natuur eet A. sp. “shell” bij voorkeur kleine visjes. Ook garnalen en andere kreeftachtigen staan bovenaan op de verlanglijst. In het aquarium kunnen we best met deze gegevens rekening houden, alsook ander dierlijk voer aanbieden. Wat levend voer betreft gedijen ze het beste op Daphnia en Cyclops en krill.

Gedragingen : tegenover soortgenoten gedragen ze zich redelijk onverdraagzaam. Daarom is het aan te raden ze niet in kleine aquaria met meerdere dieren tezamen te houden. Andere soorten laten hen redelijk onverschillig. Het word afgeraden om de A. sp. “shell”  met drukke vissen zoals Tropheus (voedsel, drukte), Opthalmotilapia en vissen met vergelijkbare energieke uitspattingen of territoriale neigingen te houden.

Aquariuminrichting : een imitatie van het overgangsgebied tussen de rotskust en de zandkust lijkt aangewezen. Een inrichting bestaande uit stenen waardoor spleten ontstaan en zand op de bodem is voor de vissen de meest ideale inrichting. Schelpenhuizen worden ook gewaardeerd

© L. de Nijs