|
|
Chalinochromis brichardi:
Chalinochromis brichardi Poll, 1974
Systematiek
:
de soort werd eind 1971 door Pierre Brichard ontdekt bij Nyanza, langs de
oostkust van het Tanganyika meer in Burundi. In 1974 beschreef Max Poll de
soort als nieuw en stelde hiervoor tevens een nieuw genus op : "Contribution
à la faune ichthyologique du Lac Tanganika d'après les récoltes de
P.Brichard", Rev. Zool. Afr. 88 (1) : 99-110. Na de eerstbeschrijving werden
verschillende andere vindplaatsen ontdekt, alsook een aantal lokale
kleurvarianten (of misschien enkele nieuwe soorten ?).
Verspreiding :
de type-dieren zijn afkomstig van de noordoost-kust van Burundi, doch zijn
er langs bijna de gehele oostkust (Tanzania), tot in het zuiden (Zambia),
alsook langs de noordwestkust (Congo) Chalinochromis brichardi-dieren
(of lokale varianten) teruggevonden. Ze komen voor langs min of meer steile
rotskusten, op een diepte van 2 tot 5 meter, waar massa's kleine en grote
stenen en keien opgestapeld liggen, waartussen een groot aantal spleten, die
de dieren als onderkomen benutten.
Grootte :
de dieren bereiken een maximale totale lengte van 15 cm.
Lichaamsvorm :
te vergelijken met Julidochromis-soorten : langgerekt, bijna
cilindervormig lichaam, zijdelings iets meer samengedrukt. Vrij dikke
lippen, voorzien van talloze wratachtige knobbeltjes. Deze hebben hun
functie bij de voeding, vermits de dieren van kleine slakken en hardschalige
insecten leven.
Kleur en
tekening :
zandkleurige grondkleur die aan de buikzijde iets lichter is. De tekening is
heel eenvoudig en beperkt zich tot een masker van donkere banden op de kop,
één vlek op het kieuwdeksel, één boven de inplant van de borstvinnen en één
in het zachtstralige deel van de rugvin. Dit laatste kenmerk zou bij de
dieren van de Zambia-kust ontbreken. Het masker op de kop was de aanleiding
op ze met de populaire naam "maskercichlide" te bedenken. In Duitsland noemt
men ze "Zügelbuntbarsche", omdat de koptekening herinnert aan de teugels van
een ingespannen paard.
Geslachtsonderscheid :
uitwendig zijn geen geslachtsverschillen waar te nemen. Oudere mannetjes
vertonen een lichte voorhoofdsbult.
Kweek :
Chalinochromis brichardi is een holenbroeder die in de natuur zijn
legsel in duistere spleten tussen de stenen afzet. Het mannetje blijft in de
buurt om de wacht te houden. Wanneer de jongen na enkele weken een grootte
van 15 mm hebben bereikt verlaten ze met het wijfje het broedhol, waarna ze
nog een hele tijd door beide ouderdieren worden begeleid, tot ze ongeveer 3
cm lengte bereikt hebben. Het totale legsel kan 200 tot 300 eieren bevatten.
Jonge dieren vertonen twee lengtebanden van donkere vlekken op het lichaam
en een gelijkaardige band aan de basis van de rugvin. Bij het uitgroeien
verdwijnt deze tekening. Water : bij voorkeur met een pH rond 8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 mS, een temperatuur van 24°-27° C en een zo hoog mogelijke zuurstofconcentratie.
Voeding :
zoals reeds eerder vermeld voedt C. brichardi zich in de natuur
voornamelijk met kleine slakken en hardschalige insecten, die ze met de
dikke lippen uit de algbegroeiing halen. In het aquarium zijn het geen
moeilijke kostgangers. Levend of diepgevroren voer, droogvoer, alsook wat
plantaardige kost wordt genomen.
Gedragingen
:
tegenover soortgenoten meestal vrij agressief gedrag, vergelijkbaar met
Julidochromis-soorten. Eens zich een paar gevormd heeft verdwijnt de
agressie, om plaats te maken voor een hechte partnerbinding. Tegenover
andere soorten vreedzaam, behalve tijdens de broedzorg.
Aquariuminrichting :
een aquarium waarin met stenen een nabootsing van het rotskustbiotoop is
opgebouwd geniet de voorkeur. Een redelijke beplanting is aan te bevelen. Varianten : enkele varianten (of soorten ?) zijn sinds jaren bekend, maar tot op heden is het niet duidelijk welke status ze hebben. De eerste is in de handel bekend als Chalinochromis spec. "bifrenatus". Ze hebben op de flanken twee lengtebanden. Langs de Tanzaniaanse oostkust zijn een vijftal verschillende varianten onder deze naam bekend. Een tweede aanverwant is bekend onder de naam Chalinochromis spec. "ndobhoi". Bij deze zijn de lengtebanden op de flanken in donkere vlekken opgesplitst. Een derde variant werd (zeer summier) beschreven door Pierre Brichard in zijn boek "Cichlids and all the other fishes of Lake Tanganyika" als Chalinochromis popelini op p. 287. Deze heeft drie lengtestrepen op de flanken en een liervormige staartvin.
© L. de Nijs |
|