Benthochromis tricoti

 

 

Benthochromis tricoti (Poll, 1948)

Systematiek : in 1948 beschrijft Max Poll de soort als Haplotaxodon tricoti in "Descriptions de Cichlidae nouveaux recueillis par la mission hydrobiologique belge au lac Tanganika (1946-1947)", Bull. Mus. roy. Hist. Nat. Belgique 24 (26) p. 19. In 1984 beschrijft dezelfde auteur een nieuwe soort : "Haplotaxodon melanoides sp. n. du lac Tanganika (Pisces, Cichlidae). Rev. Zool. afr. 93 (3) : 677-683. Van deze nieuwe soort had Poll in 1956 reeds gewag gemaakt wanneer hij in zijn standaardwerk "Exploration hydrobiologique du Lac Tanganika (1946-1947) Résultats Scientifiques. Vol III, Fasc. 5B. Poissons Cichlidae. Institut Royal des Sciences Naturelles de Belgique, Brussel" het over twee verschillend gekleurde en getekende mannetjes heeft. In 1986 plaatst Poll beide soorten in een nieuw geslacht Benthochromis "Classification des Cichlidae du lac Tanganika. Tribus, genres et espčces", Académie royale de Belgique, Mémoires de la Classe des Sciences, Collection in 8°, 2čme série 45 (2) : pp. 141-143.

Verspreiding : endemische soort van het Tanganyika meer. Het holotype, waarop de soortbeschrijving gebaseerd is, werd verzameld bij Moba (Congo). Ook de meeste andere museum-exemplaren van Tervuren stammen van de Congolese kust. René Krüter en Roger Bills waren de eersten die deze cichlide levend hebben verzameld en naar de oppervlakte gebracht in het zuidelijk deel van het meer (Zambia). Deze dieren werden op een diepte van ongeveer 60 m gevangen en over verschillende dagen en met tussenstops gedecomprimeerd en later levend naar Europa gebracht. De geslachtsnaam Benthochromis is afgeleid van het Griekse woord "benthos", wat diepte of laagte betekent. B. tricoti leeft bij voorkeur op redelijke diepten, tot meer dan 150 m . De grootste populatiedichtheid ligt tussen 100 en 150 m. Krüter en Bills hebben nooit de soort op minder dan 35 m diepte aangetroffen en op 65 m diepte baltsende dieren waargenomen. De museum-exemplaren die Poll in zijn werk van 1956 citeert werden vanaf 10 m tot ongeveer 125 m diepte gevangen.

Grootte : mannetjes kunnen een lengte van ongeveer 20 cm bereiken, wijfjes tot zowat 15 cm. Vanaf 15 cm lengte kunnen mannetjes in broedkleuren worden waargenomen.

Lichaamsvorm : slank en langgerekt lichaam, met spitse kop en buisvormig uitstulpbare muil. Qua vorm zijn ze vergelijkbaar met overmaatse Paracyprichromis-soorten. Volwassen mannetjes hebben centimeters lange filamenten aan de staartvin, bijna zo lang als het lichaam van de vis. Bij het vangen en ophalen van de dieren breken deze filamenten echter af en groeien zeer langzaam weer aan.

Kleur en tekening : volwassen mannetjes zijn grauwbruin van kleur met drie tot vier smalle helblauwe zigzaglijnen over het lichaam. De onderste helft van de kop is helgeel gekleurd, het bovenste deel helblauw. De aarsvin is gelig van kleur, de spitse buikvinnen donker. De donkergrijze staartvin heeft twee smalle blauwe dwarsstrepen en zowel boven- als onderaan gelijkaardig gekleurde randen. Wijfjes zijn zilverachtig van kleur, haast zonder enige tekening en hebben ook geen verlengde filamenten aan de staartvin.

Geslachtsonderscheid : bij volwassen dieren zeer eenvoudig vast te stellen (zie "Lichaamsvorm" en "Kleur en tekening".

Kweek : René Krüter kon de dieren tijdens de paring observeren. Wijfjes zonderen zich dan af van de school (30 tot 100 dieren) waarin ze in het openwater leven en naderen de nesten van de mannetjes bij de rotsen. Elk mannetje probeert daar met uitgestrekte vinnen en uitgestulpte bek het wijfje in zijn nest te lokken. Het wijfje zet dan alle eieren in één keer af; het mannetje gaat er langzaam met de genitaliën overheen en bevrucht ze, waarna het wijfje ze in de muil verzamelt. Krüter kon ook wijfjes verzamelen met opvallend grote jongen in de bek (3 tot 4 cm), wat zou betekenen dat de wijfjes lange tijd de jongen verzorgen. Op enkele schaarse meldingen na, is de kweek in gevangenschap nog niet gelukt en schijnbaar weinig produktief.

Water : bij voorkeur met een pH niet onder 7,8, een totale hardheid rond 10 DH en een carbonaathardheid van 18 DH. Een geleidbaarheid rond 600 µS, een temperatuur van 24°-27° C en zo weinig mogelijk nitraten en stikstofhoudend afval.

Voeding : niettegenstaande de uitstulpbare muil is B. tricoti geen piscivoor. In de natuur bestaat zijn voedsel voornamelijk uit kleine kreeftachtigen, meestal copepoda. In het aquarium eten ze zowel levend als diepgevroren klein voedsel, alsook vlokkenvoer.

Gedragingen : in het aquarium gedragen de dieren zich niet agressief en komen de originele kleuren (van de mannetjes) snel terug na het overwennen.

Aquariuminrichting : ondanks zijn lengte, valt de zwemruimte die de dieren verlangen tamelijk mee. Een aquarium van 150 cm lengte is toch wel een minimum. Enkele grote rotsblokken en een zandbodem zijn aan te bevelen. Het lijkt best één tot twee mannetjes, tezamen met meerdere wijfjes te houden.

 

© L. de Nijs